ALGEMENE KARAKTERSCHETS GEBIED DE HULST

Historisch perspectief

Periode richter Bos

Het landgoed De Hulst behoorde tot halverwege de vorige eeuw tot de marke Berghuizen en derhalve tot Lossers grondgebied. Teneinde de historie van het gebied helder te krijgen zijn zowel de archieven van Oldenzaal (gemeente & Palthehuis) alsmede van de gemeente Losser onderzocht. Vastgesteld kan worden dat het gebied De Hulst al eeuwenlang in gebruik is als cultuurlandschap. In het onderstaande kaartfragment uit de Hottinger atlas (1788) is duidelijk te zien dat het gebied dan al is ingericht als een parkachtig bos met radiale paden ('t Bos-Allee). Dit is het werk geweest van de richter Hendrik Jan Bos.

In 1757 kocht hij het hofhorige erf 'Wevelkate' dat gestaan heeft op de es, nabij de Bentheimerstraat tussen De Hulst en het Egheria. In het zelfde jaar werd hij eigenaar van het erve 'Hulst', gelegen naast het Wevelkate. Deze boerderij was een voormalig bezit van het Agnietenklooster te Oldenzaal. In 1764 kocht Bos de zogeheten Fonteinenkamp en een grote weide van Adriaan Hampsink. Deze percelen lagen beide aan de Fonteinenstege, grond die grensde aan de percelen van het Wevelkate. Er waren plannen met het gebied om er iets bijzonders van te maken.

Richter Hendrik Jan Bos blijkt een opvallende belangstelling gehad te hebben voor de natuur, met name voor houtig gewas. Een grote wens ging voor hem in vervulling toen hij vanwege diverse aankopen en ruilingen rond de erven Wevelkate en Hulst de mogelijkheid kreeg om in de Berghuizer Esch een 'Allee' (bomenlaan) aan te laten leggen. Deze allee, in dit geval van zomereiken, kreeg een breedte van 48 voet lopende tot het bos dat bij de boerderij De Hulst hoorde.

De vermelding van de aankoop van de 'Fonteinenkamp' met bijbehorende lage weide in het dagboek van richter Hendrik Jan Bos is een zeer interessant gegeven gezien vanuit de landschapsecologie zoals die nu wordt aangetroffen. Het begrip Fonteinen-kamp suggereert een hoger liggend perceel van waaruit water ontspringt. De Hulst was voorheen kennelijk het brongebied voor de Fonteinbeek, die voorheen parallel met de Betheimerstraat richting stadsbleek stroomde en tevens de belangrijkste ader vormde voor de voeding van de stadsgrachten.

In het dagboek wordt tevens melding gemaakt van de aanleg van 'vijvers' in het kader van de regulering van de waterhuishouding c.q. afwatering. Het zou kunnen zijn dat de vijvers tevens een bufferende/doserende functie hebben gehad om het benedenstroomse gebied (de stad Oldenzaal) te behoeden voor periodieke wateroverlast.

Uiteindelijk zou een 'Sterrenbosch' van eiken worden aangelegd. Daarnaast werden er op de aanliggende gronden duizenden exemplaren van andere boomsoorten aangeplant. Uit de assortimentslijst van 1767 worden de volgende soorten en aantallen genoemd:



Uit de lijst blijkt dat gekozen is voor soorten met een duidelijke gerief- en nutsfunctie. Opvallend is het overgrote aandeel van 8300 ! elzen . Het moge duidelijk zijn dat het merendeel van de bospercelen permanent vochtig moet zijn geweest, gezien de keuze voor de els die bij uitstek vochtminnend is. Wat tevens opvalt is dat de beuk niet op de lijst voorkomt, terwijl deze in het huidige bosbeeld juist aspectbepalend is.

Periode Gelderman

Er is relatief weinig bekend van het reilen en zeilen van het landgoed na de dood van richter Bos. Vaststaat dat het goed tot het eigendom van de families Kistemaker en Davina behoort heeft. In 1916 werd op de buitenplaats een landhuis voor Joan Gelderman ontworpen door de gerenommeerde Amsterdamse architect Karel Muller. Joan was de oudste zoon van Mullers zuster Clara Maria Muller en Christiaan Maurits Gelderman, woonachtig op landgoed De Haer. Het uit 1922 stammende koetshuis (thans ruïne) is eveneens ontworpen door Muller. Tegelijk met het grote buitenhuis kwam de tuininrichting tot stand. Het tuinplan werd gemaakt door Leonard Springer; een tuin- en landschapsarchitect met toen al een grote staat van dienst. Hij maakte diverse ontwerpen voor De Hulst in de Engelse landschapsstijl. Springer heeft in 1919 de lanenstructuur rond de villa grotendeels gehandhaafd. De ruimtes tussen de lanen bestonden tot dan uit bos, boomgaard, weide en moestuin. Springer koos voor een nieuwe invulling. Achter de villa werd een neo-renaissance -tuin aangelegd met hagen en vormbomen.

Nog aanwezige (plaatselijk aangetaste) haagstructuren zoals die aan de noordzijde van het landhuis zijn aangelegd door Leonard Springer. 

De moeder van Joan Gelderman bezat ooit 190 hectare in dit gebied. Toen Joan het landhuis op De Hulst bouwde, bezat hij hier 28 ha. Momenteel is er nog ca. 16,5 ha van over.

Het merendeel van de buitenplaatsen van de Twentse fabrikanten heeft haar oorspronkelijke functie en inrichting verloren. Voorbeelden hiervan zijn: Kalheupink, Klieverik, Scholtenhaer, Kruiselt, Het Bouwhuis, Het Amelink, Welna, Schuttersveld, Het Nije Huss, Den Kotten, Stokhorst etc.

Originele ontwerptekening "De Hulst" van Leonard Springer [1919]