INVENTARISATIE

Botanische aspecten

Door middel van een Floron - streeplijstinventarisatie aangevuld met enkele puntopnamen is de aanwezige flora zo volledig mogelijk in kaart gebracht in het voorjaar/zomer 2004. Het totaal aantal aangetroffen hogere plantensoorten bedraagt 120. Dit is voor een landgoed van deze omvang en samenstelling relatief weinig. Van de bijzondere (aandachts) soorten zijn slechts beperkte aantallen geteld. Zowel de kruidachtige bosflora als de weideflora biedt een "uitgeholde" indruk die direct gerelateerd lijkt aan de verdroogde milieu-omstandigheden en het jarenlang achterwege blijven van actief (natuur)beheer.


Uit: Provinciale vegetatiekartering 1988

Weidegronden

De drie weidepercelen zijn aanvankelijk vanwege hun optische verwantschap [dominantie gestreepte witbol - Holcus lanatus] m.b.v. een streeplijst geinventariseerd. Uit de opnamen bleek echter dat er toch wel de nodige verschillen zitten in de vegetatie van de diverse percelen. De oostelijke weide heeft een aantal droge gedeelten waarin akkerdistel (Cirsium arvense) overheerst. Los van enkele plukken Veldrus (Juncus acutiflorus) die, ondiepe horizontale grondwaterbeweging indiceert, komen in het westelijke perceel geen expliciete kwelindicatoren voor. De kruidachtige vegetatie kan overigens als soortenarm beschouwd worden.

Gezien het jarenlange extensieve gebruik en de relatieve vochtigheid leek de verwachting gerechtvaardigd dat zich hier een veelsoortige graslandvegetatie zou hebben ontwikkeld, maar de aangetroffen vegetatie bleek soortenarm en bovendien te wijzen op relatief zure, verstoorde en [periodiek] verdroogde milieu-omstandigheden. Het heeft er alle schijn van dat zich regenwaterophoping voordoet en dat het diepere grondwater onvoldoende kan opstijgen richting maaiveld. Dit wordt met name geindiceerd door soorten als Juncus effusus, Ranunculus repens en de abundantie van Holcus lanatus. Zoals in bovenstaand kaartfragment valt af te lezen werd in 1988 een deel van de weidegronden nog als "dotterbloemweide" gedefineerd. Blijkbaar was er destijds nog wel sprake van kwelinvloed van enige betekenis.

De centrale weide vertoont botanisch gezien grote gelijkenis met de westelijke weide, met uitzondering van de gegraven overloop/slenk die het surplus van de bronvijver zuidwaarts afvoert richting bermbeek. In het pioniersmilieu hebben zich soorten gevestigd als: Ranunculus sceleratus, Ranunculus flammula, Stellaria uliginosa etc.

De bronvijver is een gave helokreen met ondermeer een groeiplaats Caltha palustris (Dotterbloem). Op basis van de historische beschrijvingen van De Hulst in de 18e en 19e eeuw, waarbij gesproken wordt van "De Fonteinenberg" is het aannemelijk dat de huidige bronvijver deel uit maakte van het brongebied van de voormalige Fonteinbeek. Gedurende de tuinaanleg rond 1920 door Leonard Springer is dit oorspronkelijk diffuse bronmilieu wellicht omgevormd tot een stilistische siervijver.

De vegetatie rondom de natuurvijver is sterk vermest door de aanwezige ganzen. Dit is vanuit botanische invalshoek een ernstige bedreiging omdat het oevermilieu van de vijver -vanwege het permanent toestromende bronwater- de beste potenties van het hele landgoed bezit om te ontwikkelen tot een bijzondere, veelsoortige en kleurrijke bron-/moerasvegetatie.

Op de overgang van deelgebied II (centrale weide) en III (westelijke weide) bevindt zich de boerderijruine. Het is opvallend dat er in het verleden (ca. 1920) zo'n laaggelegen plek is gekozen voor dit gebouw. Direct ten westen van de ruine is een populatie Scirpus sylvaticus (Bosbies) aangetroffen, hetgeen wijst op uittredend kwelwater. In het aansluitende bermbeektalud groeit tevens Equisetum fluviatile, Carex acuta en vrij massaal Juncus acutiflorus. Allen soorten die wijzen op kwel dan wel permanent vochtige omstandigheden. Van de drie weidepercelen ligt hier momenteel de grootste botanische potentie.

De door de Gemeente Oldenzaal en het Waterschap voorgestelde retentie zou in de westhoek van dit perceel gerealiseerd kunnen worden mits deze op een organische wijze gentegreerd wordt in de bestaande landschapsstructuur en voorkomen wordt dat er (langdurige) ophoping van regen- of voedselrijk water plaatsvindt.


Uit: "Water als Belevenis" WRD, 2003. Principe van gelaagdheid en integratie van functies die deels ook op De Hulst toepasbaar zijn.

Bospercelen

In de kruidlaag van het westelijk bosgebied komen sporadisch 'oude bosplanten' voor als Dalkruid (Maianthemum bifolium), Salomonszegel ( Polygonatum multiflorum) en Lelietje van Dalen (Convallaria majalis). Op het talud van de bermbeek langs de Tankenbergweg zijn tevens enkele exemplaren bosanemoon (Anemone nemerosa) aangetroffen. Naast bovengenoemde soorten is de vondst (5 ex.) van dubbelloof (Blechum spicant) in een greppel in het oostelijke bosgebied noemenswaardig. Het type bos kan gedefinieerd worden als een Beuken - Wintereikenbos [ Fago - Quercetum ].

Aangezien het stamtal overwegend hoog is, de wintergrondwaterstand gemiddeld meer dan 1m. -mv staat, en de dominante boomsoort wordt gevormd door de beuk (Fagus sylvatica) is er dusdanig veel schaduw/droogte dat gesteld kan worden dat de huidige bosflora marginaal ontwikkeld -en soortenarm is. Opvallend is de plaatselijk aaneengesloten begroeiing van hulst en het relatief hoge percentage taxus; de leemhoudende ondergrond is hier wellicht debet aan.


Bosbeeld westzijde. Hoog stamtal, droog, slecht ontwikkelde kruid- en struweellaag en relatief veel dood hout.

Van de oorspronkelijke elzenaanplant door richter H.J. Bos is nu opvallend genoeg niets meer over. Tijdens de botanische inventarisatie is zelfs geen enkele els (Alnus glutinosa) aangetroffen . Dit kan maar een ding betekenen: het landgoed is in de loop der tijd sterk verdroogd. Een andere indicatie voor verdroging is het relatief hoge percentage oudere beuken (ca. 15%) die aangetast zijn door de reuzen- en honingzwam.

Vanuit bosbouwkundig perspectief kan gesteld worden dat de 'middenlaag' veelal ontbreekt. Struweelsoorten als meidoorn, sleedoorn en kardinaalsmuts die elders op de stuwwal in deze milieu-omstandigheden dikwijls aspectbepalend aanwezig zijn, ontbreken op het landgoed.

Samenvattend kan gesteld worden dat: